HISTORIEK
|
| Elektriciteit |
| Bij de aanvang van de jaren twintig was er in de Provincie Brabant reeds in diverse steden en gemeenten een distributienet uitgebouwd, zij het van vrij beperkte omvang. De belangrijkste gemeenten hadden gekozen voor een distributie in regie. |
Voor de andere gemeenten was deze keuze vrijwel onmogelijk omwille van het feit dat zij de technische problemen die de constructie en de exploitatie van het net opleverden, niet aankonden. Bovendien waren de investeringsmogelijkheden veelal onvoldoende. Logischerwijze namen deze gemeenten dan ook hun toevlucht tot een concessieregime aan privé-aannemers. Deze hadden inderdaad hun activiteiten reeds uitgebreid in die gebieden waar ze binnen vrij korte termijnen verzekerd waren van een goed rendement. Hieruit volgde dat in de stedelijke zones en in hun onmiddellijke periferie er rivaliserende monopolies ontstonden in de vorm van privaatconcessies.
Om een wilde concurrentie te voorkomen had de wetgever reeds aan de gemeenten het monopolie van de elektriciteitsdistributie op hun grondgebied toegekend. Dit beperkte enigszins de mogelijkheden van de concessionarissen. Indien deze wet, van meet af enigszins de ontwikkeling van de distributie ordende, bracht zij echter geenszins een oplossing voor het groot probleem dat zich destijds stelde: de elektrificatie van de rurale gebieden.
In 1925 leefden nog duizenden gezinnen in het tijdperk van de kaars of de petroleumlamp met bovendien nog de pijnlijke herinnering aan de schaarste van de voorbije oorlogsjaren. Om in deze gebieden distributienetten te bouwen kon men geen beroep doen op het privé-initiatief, dit om de eenvoudige reden dat deze gespecialiseerde aannemers niet de minste interesse hadden om dure installaties te bouwen in gebieden waar, door het lage rendement, in de onmiddellijke toekomst geen winst mocht verhoopt worden. De technische mogelijkheden bestonden nochtans wel. Verschillende technici hadden reeds voorstellen gedaan waarvan de meest interessante alleszins de intercommunalisatie was. Deze mogelijkheid werd geboden door de wet van 1 maart 1922, die het oprichten toe liet van intercommunales met het doel van openbaar nut.
In de provincie Brabant werd een commissie samengesteld uit leden van alle vertegenwoordigde partijen onder voorzitterschap van gedeputeerde Charles GHEUDE. De provincie was ervan overtuigd dat de elektrificatie van het provinciaal grondgebied ten spoedigste diende verwezenlijkt te worden. De stichtingsvergadering voor de exploitatie in intercommunaal verband had uiteindelijk plaats op 8 februari 1928 in het Provinciaal gouvernement te Brussel.
Samen met de provincie gingen 54 gemeenten over tot de oprichting van de PROVINCIALE BRABANTSE ELEKTRICITEITSMAATSCHAPPIJ. Op 27 juni 1928 werd de affiliatie goedgekeurd met 16 andere gemeenten. In de loop van 1929 en 1930 werd door vier buitengewone algemene vergaderingen verder nog de toetreding goedgekeurd van 10 gemeenten. Rond 1 mei 1929 had de eerste indienststelling plaats in het Hageland. Tegen het einde van 1929 waren de centra van alle deelnemende gemeenten uitgerust en men verwachtte het einde van de aanleg der netten in de loop van 1931. Na een lichte heropleving tijdens de jaren 1937 tot 1939 brak dan de oorlogsperiode aan die elke uitbreiding lam legde. De schaarste aan materiaal en de opeisingen door de bezetter stelden quasi onoverkomelijke problemen inzake bevoorrading en exploitatie.
Vanaf 1946 begon dan definitief de bloeiperiode voor de P.B.E. De fusie van de gemeenten in 1977 had een rationalisatiebeweging tot gevolg, waarbij gemeenten over wiens grondgebied meerdere intercommunales binnen hetzelfde domein werkzaam waren konden overgaan tot het toevertrouwen van deze activiteit aan één van deze intercommunales. De meeste gemeenten gingen hierop in, de gemeente Tremelo daarentegen besliste om scheep te blijven gaan met de P.B.E. (Baal) en Iverlek (Tremelo) en dit tot op heden. De gemeenten Oud-Heverlee en Linter traden voor hun volledige grondgebied toe tot de P.B.E. in respectievelijk 1988 en 1991. Voor een aantal stedelijke gebieden zou het nog enkele jaren duren vooraleer deze rationalisatie ingang vond. De elektriciteitsdistributie van Landen en Diest gingen respectievelijk over naar P.B.E. in 1993 en 1997, terwijl Aarschot en Tienen aansloten bij Iverlek respectievelijk in 1993 en 1998.
|
| Momenteel omvat het distributiegebied 24 gemeenten, 20 in Vlaanderen en 4 in Wallonië. Ondertussen traden in 2000 de gemeenten aangesloten bij TGEK (Kampenhout en Steenokkerzeel) toe tot P.B.E. voor wat betreft de elektriciteitsdistributie. Een aantal evoluties in de markt grepen sterk in op de activiteiten van de P.B.E., meer bepaald de vrijmaking van de – ondertussen geregionaliseerde - energiemarkt. De grootste industriële klanten kwamen in Vlaanderen vrij op 1 januari 2002, gevolgd door de hoogspanningsklanten op 1 januari 2003 en de rest van de klanten op 1 juli 2003. Voor de Waalse markt kwamen de hoogspanningklanten vrij op 1 juli 2004 en zullen de laatste gebonden klanten op 1 januari 2007 tot de vrije marktwerking toetreden. |
|
| P.B.E. – Kabeldistributie |
| Door het aanvatten van deze nieuwe activiteit is de P.B.E.''terug naar de bron''gegaan. Inderdaad, de problemen, door de elektriciteitsdistributie gesteld in de jaren '28-'30 (zie historiek elektriciteit), hebben zich bijna een halve eeuw later, herhaald op het vlak van de kabeldistributie. |
Het exploitatiegebied van de P.B.E. is vrij gunstig gesitueerd door de nabijheid van verschillende binnenlandse en buitenlandse zenders. De tv-kijker blijft echter afhankelijk van zijn omgeving; het is inderdaad niet denkbeeldig dat door de constructie van een hoogbouw in zijn omgeving er plots een scherm wordt opgetrokken dat in het beste geval zorgt voor parasitaire reflexies of in het slechtste geval de ontvangst van sommige programma's eenvoudigweg onmogelijk maakt.
De oplossing voor dit eigentijds probleem is natuurlijk de kabeltelevisie. Vanaf 1960 heeft men de aanleg en exploitatie kunnen meemaken van kabelnetten in zeer dicht bevolkte zones. Opnieuw werden de inwoners in de rurale gebieden gediscrimineerd omwille van dezelfde evidente rendabiliteitsredenen als deze die 50 jaar terug de ontwikkeling van de elektriciteitsdistributie afremden. Het was paradoksaal dat in het tijdperk van satellieten, die beelden van de hele wereld overbrengen, sommige mensen verstoken bleven van deze bron van ontspanning en cultuur, enkel en alleen omdat hun woonst geografisch minder goed is gesitueerd. Eens te meer stelde men vast dat de exploitatie van deze activiteit van openbaar nut in de rurale gebieden niet interessant genoeg bleek voor de privé-concessionarissen. Dit had tot gevolg dat de P.B.E. vanaf 1971 werd gesolliciteerd door diverse van haar vennoten om zich te gelasten met deze nieuwe openbare dienst.
Na rijp beraad en steeds met het oog op dienstverlening aan de vennoten besliste de raad van bestuur de activiteiten van de P.B.E. uit te breiden tot de kabeltelevisie. In 1973 beslisten reeds 39 gemeenten tot toetreding bij de P.B.E. voor de
tv, -fm -distributie. Gestart werd met de aanleg van de netten en de oprichting van twee captatiestations te St.-Joris-Winge en te Wommersom. De financiering van dit project werd opnieuw dusdanig opgevat dat wat de eerste fase van de werken betrof, geen enkele financiële tussenkomst van de vennoten werd gevraagd.
Op 3 oktober 1974 had de officiële indienststelling van de installaties plaats in tegenwoordigheid van de heer Gaston Geens, toenmalig staatssecretaris voor Begroting en Wetenschapsbeleid. Einde 1975 bedroeg de waarde van de netten in de intussen reeds 46 aangesloten gemeenten, 134.500.000 BEF. Op dat ogenblik genoten 9.421 abonnees van deze nieuwe dienstverlening. De P.B.E. liet geen enkele mogelijkheid ongemoeid om in een minimum van tijd een zo groot mogelijk aantal programma's te brengen in een zo groot mogelijk aantal woningen. Zo werd ondermeer in de loop van 1977 een supertrunck in dienst gesteld die voor de kijkers, aangesloten op captatiestation Wommersom de Franse en Luxemburgse programma's bracht. Bovendien werd door de raad van bestuur een medefinancieringssysteem op punt gesteld met de vennoten om in een minimum van tijd de netten verder uit te bouwen tot en met de laatste woning van elke gemeente.
De gemeenten Oud-Heverlee en Linter traden voor hun volledige grondgebied toe tot de P.B.E. in respectievelijk 1988 en 1991. Voor een aantal stedelijke gebieden zou het nog enkele jaren duren vooraleer deze rationalisatie ingang vond. De kabeldistributie van Landen (uitgezonderd de regie van de stad Landen die werd overgenomen vanaf 2000) en Diest gingen respectievelijk over naar P.B.E. in 1993 en 1997, terwijl Aarschot en Tienen aansloten bij Iverlek respectievelijk in 1993 en 1998. Momenteel omvat het distributiegebied 14 gemeenten in Vlaanderen.
|
| Van kabel-tv naar interactieve dienstverlening |
Tot dan transporteerden onze tv-kabels uitsluitend tv- en fm-signalen. Vanaf 1998 heeft de P.B.E. haar kabelnet omgebouwd met het oog op het aanbieden van “interactieve” diensten door Telenet. Internet en telefonie zijn voorbeelden van interactieve diensten.
|
| Deze interactieve diensten zijn sedert 2000 beschikbaar op het kabelnet van de P.B.E. en worden aangeboden door Telenet. |
Telenet sluit met de klant een contract af voor de interactieve dienst terwijl de P.B.E. instaat voor het transport van de signalen. Telenet “huurt” dus een deel van de beschikbare bandbreedte op het kabelnet van P.B.E. voor het aanbieden van haar interactieve diensten.
|
| Digitale televisie |
|
| Reeds in december 2004 is digitale televisie in Vlaanderen van start gegaan. |
| De kabelmaatschappijen Interelectra, Integan, WVEM en P.B.E., verenigd in de Interkabel-groep (en goed voor in totaal 780.000 klanten) hebben toen als eerste een product gelanceerd dat de aanzet is tot een nieuw digitaal platform, waarbij de kijker op termijn een ruim aanbod zal hebben van radio- en televisiepakketten. |
| Dit digitaal platform werd gelanceerd onder de naam IN-DI. |
| Met de filosofie in het achterhoofd dat televisie een betaalbaar medium moet zijn en blijven voor alle lagen van de bevolking, heeft de P.B.E. steeds het belang van de klant afgewogen en vooropgesteld. In dat kader werd het hele kabelnetwerk aangepast tot, zeg maar het modernste netwerk van Europa, met een bandbreedte van 600 MHz. Daarom heeft de P.B.E. samen met de andere leden van de Interkabel-groep ook al snel de eerste stap kunnen zetten inzake het aanbieden van digitale televisie. |
| De vier Vlaamse openbare kabelmaatschappijen Integan, Interelectra, P.B.E. en WVEM brengen op 1 december 2005 het nieuwe digitale aanbod van iN.Di. |